De geschiedenis van de fluit

De fluit behoort tot de alleroudste instrumenten, die er zijn. Toch weet men niet precies, hoe oud de dwarsfluit is, en waar ze voor het eerst voorkwam. Dit komt voor een deel omdat er weinig fluiten uit de tijd voor onze jaartelling bewaard zijn gebleven, omdat ze van vergankelijk materiaal werden gemaakt (hout, riet, been) en voor een ander deel omdat men op de oude afbeeldingen, die men uit die tijd gevonden heeft, niet precies kan zien of het wel om een echte fluit gaat.
De fluitjes uit de prehistorische periode waren voornamelijk lokfluitjes. Een opmerkelijk exemplaar uit het magdalénien, de cultuur van de rendierjagers van voor de ijstijd, dateert van ca. 11.000 v. Chr.

Fluit van been uit het Magdalénien ca. 11.000 v. Chr.

Kootfluit uit rendierbot
Algemeen wordt aangenomen dat de fluit van voor de tweede ijstijd stamt en dat haar plaats van oorsprong Centraal-Azië is geweest. In het mausoleum van Halikarnassos, in de oudheid een stad in Klein-Azië in het zuiden van Karië
(het huidige Bodrum in Turkije) werden fragmenten gevonden van een ivoren fluit. Dit gebied heeft deel uitgemaakt van het oude Griekenland. De Grieken kenden ook de eenstemmige syrinx, waarschijnlijk een buis met gaatjes. Daarnaast kwam er de dwarsfluit (plagiaulos) voor, die ook in Egypte bekend was. Hierbij blies men ofwel over het open uiteinde van de buis heen, of - net als bij de moderne dwarsfluit - over een gat aan de zijkant van de buis.

Dwarsfluitspeler. Afdruk uit antieke mal gevonden te Mainz in 1983 en stamt uit de 2e helft van de 1e eeuw n. Chr.
In Egypte bespeelt men nog steeds de nay die ten tijde van de farao's al in gebruik was. De nay is een rechte fluit die aan de bovenkant wordt aangeblazen. De nay heeft 6 gaten en wordt met twee handen bespeeld. Hoe oud dit instrument is kan niet met zekerheid worden gezegd. Wel zijn er in de omliggende landen van Egypte exemplaren aangetroffen als ook in Europa.

Afbeelding van een Egyptische nay-speler
In 'Il Palazzone' bij Perusia is een deksel van een urn gevonden met een fluitspeler en de inscriptie: AR.ANANI.LA.ADNU, die men van rechts naar links dient te lezen. Deze urndeksel is afkomstig uit de 2e eeuw v. Chr. Dit is vermoedelijk de oudste afbeelding van een dwarsfluit.

Etruskische fluitspeler
Van de vroegchristelijke periode en de middeleeuwen is weinig aan kennis omtrent de fluiten overgeleverd. We hebben nauwelijks of geen geschreven bronnenmateriaal dat informatie zou kunnen verschaffen over de fluit en haar gebruik. Wat we weten is afkomstig van enkele afbeeldingen en van de vele opgravingen. In Europa werden uit deze tijd enkele fluiten teruggevonden.

Drie benen fluiten uit het begin van de middeleeuwen
De historische weg van de dwarsfluit leidde vermoedelijk van Klein-Azié, via Byzantium naar Europa. Achtereenvolgens werd ze in de 10e eeuw in Griekenland, in de 11e eeuw in Hongarije en in de 12e eeuw in Duitsland afgebeeld. De fluit was in de 13e eeuw een populair instrument bij de troubadours in Zuid-Frankrijk en later bij de 'Minnesänger' in Duitsland. Guillaume de Machault, een Franse componist en dichter uit de 14e eeuw, spreekt van 'flaustes traversaines' en 'flaustes dont droit joues quand tu flaustes', dwarsfluiten en fluiten die men recht houdt onder het spelen.

Fluitspelers van de miniatuur 240 van het handschrift j.b.2 van de Canticas uit de 14e eeuw
Uit de renaissance tijd, de 16e eeuw, vinden we voor het eerst beschrijvingen van fluiten in literaire bronnen. Dit is tevens de bloeitijd van de blaasinstrumenten. De orkesten uit die tijd bestonden grotendeels uit blaasinstrumenten. Opmerkelijk is dat er van elk instrument meerdere exemplaren in verschillende toonhoogten bestonden. Zo bestonden er van de renaissancefluit vier typen. Te weten een sopraan-, alt-, tenor- en basfluit.

De vier renaissancefluiten uit Martin Agricola's Musica instrumentalis deutsch, 1528, pag. XIII.
In 1511 toont Virdung in zijn 'Musica getutscht' een Zwerchpfeiff en blokfluiten. De meeste traktaten na Virdung (Agricola, Praetorius en Mersenne) handelen over de fluit. Naar deze gegevens werd een instrument gebouwd door Rafi, een Franse instrumentbouwer uit het begin van de 16e eeuw. Deze dwarsfluit heeft 6 gaten en de boring is geheel cilindrisch

De cilindrische fluit van Rafi uit ca. 1550
Een kleine eeuw later beschrijft Marin Mersenne in zijn werk 'Harmonie Universelle' (1636) twee flûtes d'Allemands in D en G, met een diatonische grepentabel van 2½ octaaf.

flûtes d'Allemand van Mersenne (1636)
Omstreeks 1660 werd een eerste klep aangebracht (dis-klep). Deze uitvinding word toegeschreven aan de Franse, aan het hof van Louis XIV verbonden fluitist, Philibert. In 1672 schreef Jean-Baptiste Lully een partituur voor de dwarsfluit. Aan het einde van de 17e en aan het begin van de 18e eeuw leefde in Frankrijk een familie van instrumentenbouwers: Hotteterre. Aan Jacques Hotteterre le Romain, die als hofmusicus in dienst was bij koning Lodewijk XIV, worden belangrijke verbeteringen aan de fluit toegeschreven. Van belang is Hotteterres traktaat 'Principes de la flûte traversière ou flûte d'Allemagne, de la flûte à bec ou flûte douce et du hautbois' uit 1707.

Jacques Hotteterre le Romain, Franse fluitbouwer.
De belangrijkste innovatie van de Franse fluitbouwers uit de tijd van de familie Hotteterre was de conische boring. Tot die tijd werden er uitsluitend cilindrische fluiten gebouwd. De fluit kreeg hierdoor een warmere klank en meer expressiemogelijkheden. Een andere bijkomstigheid was dat de intonatie in de verschillende registers stabiel bleef. De fluit had nog steeds een klep voor de dis terwijl voor de andere halve toonafstanden vorkgrepen gebruikt dienden te worden. Een vorkgreep klinkt meer afgedekt en altijd doffer dan de andere tonen. Maar vergeleken met de renaissancefluit was het mogelijk om in verschillende toonsoorten te spelen.

Tekening van de fluit van Hotteterre
Ondanks de vele verbeteringen die de Franse bouwers aanbrachten, was het moeilijk om de fluit te stemmen, dit omdat iedere streek en stad een andere stemming hanteerde. Dit probleem werd in Duitsland opgelost door Johann Joachim Quantz. Quantz was samen met een groot aantal belangrijke musici onder wie Carl Philipp Emanuel Bach in dienst van koning Frederik de Grote van Pruisen op het kasteel Sanssouci in Potsdam te Berlijn. Quantz was naast fluitist en componist ook de leraar van Frederik de Grote, die zelf een begenadigd amateurfluitist was.

Johann Joachim Quantz
Van Frederik de Grote is bekend dat hij veel tijd besteedde aan kunst, filosofie en cultuur. Hij liet vooraanstaande kunstenaars, filosofen en wetenschappers naar zijn hof in Potsdam komen. Onder deze gasten bevonden zich Voltaire en zelfs de oude Johann Sebastian Bach. Hij speelde voor zijn gasten vaak zijn eigen composities voor, begeleid door Carl Philipp Emanuel Bach of zijn eigen hoforkest.

Muziekkamer van Frederik de Grote in het kasteel Sanssouci te Potsdam

Concert door Frederik de Grote als fluitist
Quantz loste de stemmingsproblemen op door het middenstuk van de fluit op te splitsen in twee delen. Voor het bovenste deel, dat voor de linkerhand, vervaardigde hij verschillende lengtes zodat hij in verschillende stemmingen kon spelen door het bovenste middenstuk te verwisselen. Door de kurk in het kopstuk van schroefdraad te voorzien kon het zelf de interne stemming van de fluit regelen. Nog een andere belangrijke aanpassing was een tweede klep naast de dis-klep, namelijk de es-klep. Dit omdat de dis en de es in de stemming waarin er toen gespeeld werd niet dezelfde waren.

Schets van de twee kleppenfluit van Quantz met verstelbare kurk en tap voor het kopstuk.
Sommige fluiten hadden zelfs 7 middenstukken. Aangezien men steeds op zoek was naar verbeteringen ten aanzien van de bouw van de fluit, bouwde Quantz fluiten voor zijn broodheer Frederik de Grote. Verder schreef hij een groot aantal composities voor fluit en zelfs een traktaat over het fluitspelen. In het traktaat 'Versuch einer Anweisung die Flöte Traversière zu spielen' uit 1752 beschrijft hij de techniek van het fluitspelen, hoe je moet articuleren en fraseren, hoe je versieringen (zoals trillers en voorslagen) moet spelen, hoe je langzame en snelle delen moet uitvoeren en hoe je moet improviseren.

De twee kleppenfluit van Quantz met verstelbare middenstukken
Nog steeds waren de vorkgrepen voor de halve tonen om zo chromatisch te kunnen spelen een probleem. Om de vorkgrepen overbodig te maken begon men rond 1760 met het boren van nieuwe gaten en sloot ze af met kleppen. De gis-klep, de bes-klep en de f-klep waren de eerste die naast de dis-klep op de fluit werden geplaatst. Rond 1775 is de vier kleppenfluit dan ook een feit.

Vier kleppenfluit met de gis-, bes-, f- en dis-klep
Ondanks de grote verbetering in toonkwaliteit bleven er grote beperkingen op het gebied van greepwisselingen bestaan. De nieuwe f-klep bijvoorbeeld, veroorzaakte problemen bij greepwisselingen met de omliggende tonen, omdat deze klep niet bediend kon worden door een vinger van de rechterhand. Johann Georg Tromlitz, een inventieve fluitbouwer schreef in zijn traktaat 'Ausführung und gründlicher Unterricht die Flöte zu spielen' uit 1791 het boren van een tweede f-gat met een klep die bediend wordt door de linker pink. Verder maakte hij in dit werk een interessante opmerking omtrent de functie van de kleppen die later door Theobald Boehm als revolutionair principe zou worden uitgevoerd, namelijk; "In het ideale geval zouden alle kleppen in rust open dienen te staan". De ontwikkeling van de fluit stond niet stil en werd in de laagte uitgebreid met een cis- en een c-klep. Het laatste chromatische gat de c bij de linkerhand werd geboord en van een klep voorzien die door de wijsvinger van de rechterhand werd bediend, en daarmee was de fluit volledig chromatisch over het hele octaaf

De achtkleppenfluit gebouwd door Rudall & Rose rond 1832
Ondanks alle verbeteringen was deze fluit waarschijnlijk niet echt populair. Een van de bezwaren was het aantal kleppen en het al dan niet sluiten van de kleppen. Ook gingen er stemmen op, o.a. van professionele fluitisten als A. B. Fürstenau, F. Devienne en ook van Tromlitz zelf, om op een aan Quantz gelieerde fluit te spelen. Dit kwam voor een deel voort uit conservatieve opvattingen en aan het feit dat men gewend was aan de klank karakteristiek van de vorkgrepen voor chromatische tonen. Dit belette echter niet om verder te zoeken naar verbeteringen en aanpassingen op de bestaande fluiten. Doordat de Engelse fluitist Charles Nicholson experimenteerde met een groter mondgat en wijdere toongaten ontstond er een fluit met een grotere toon waar vooral bij de grote symfonieorkesten vraag naar was. Gezocht werd naar een fluit met een regelmatige sterkte door alle registers heen en een goede intonatie. Tromlitz opperde zelfs om een fluit te maken met open kleppen. De amateurfluitist en fluitbouwer Dr. H.W. Pottgiesser ontwierp tussen 1800 en 1825 een fluit waarvan de toongaten min of meer van gelijke grootte waren, zodat hun plaats niet afhankelijk van de vingers was maar op de akoestisch juiste plaats stond. Tot dan toe werden de toongaten op diverse plaatsen, en in verschillende grootte en vorm gemaakt, afhankelijk van hoe het uitkwam. Dit had natuurlijk invloed op de klank van het instrument. Pottgiessers vinding had tot uitwerking dat alle tonen zuiverder en gelijkmatiger klonken. Een andere amateurfluitist, Frederick Nolan die meeging in de technische ontwikkelingen, vond in 1808 de zogenaamde ringklep uit. Deze klep bestond uit een ring om het toongat heen, waardoor deze tegelijk met vingergat of afzonderlijk bediend kon worden. Dit kleppensysteem werd door de Zwitser William Gordon op zijn instrumenten gezet. Aansluitend hierop ontwierp Pottgiesser in 1824 nog een ringklep met een polster.

Een nieuw tijdperk voor de fluit Theobald Boehm werd geboren op 9 april 1794 te München als zoon van een goudsmid. Na zijn school begon hij als 13 jarige als goudsmid te werken in het bedrijf van zijn vader. Op 16-jarige leeftijd bouwde hij zijn eerste fluit. Dit was een kopie van een fluit met vier kleppen. Kort daarop kwam hij in contact met de fluitist J.N. Kapeller uit het hoforkest, die hem zijn eerste onderricht gaf. Na enige tijd werkte hij overdag als goudsmid en speelde hij 's avonds eerste fluit in het kgl. Theater am Isarthor. Twee jaar later gaf hij zijn beroep als goudsmid op en ging hij als fluitist verder. Naast het spelen bouwde hij ook fluiten en begon in 1828 zijn eigen fluitfabriek met nog het oorspronkelijke model fluiten waaronder de achtkleppenfluit in de productie.

Kleppenfluit van Theobald Boehm uit ca. 1829
Als Boehm als fluitvirtuoos in 1831 op concertreis gaat naar Parijs en Londen ontmoet hij Nicholson. Hij is erg onder de indruk van diens sterke geluid en bestelt nog voor zijn vertrek naar Duitsland bij Fa. Gerock & Wolf in Londen een fluit met grotere gaten op de akoestisch juiste plaats. Ook is op dit instrument het open kleppensysteem in het mechaniek verwerkt.

Schets van Boehm's fluit gebouwd in 1831 door Fa. Gerock & Wolf te Londen
Terug in Duitsland begint Boehm aan een fluit met als laagste noot de c. De andere toongaten worden chromatisch over de fluit verdeeld en deze worden deels bediend door kleppen en ring-kleppen. Deze kleppen staan allemaal open op de dis-klep en twee trillerkleppen na, die gesloten zijn. Boehm bedenkt een logisch kleppensysteem met overbrengingen d.m.v. hendels en heveltjes en komt tot het 'Boehm-systeem'. In 1832 is de eerste productie van deze fluit, onder de naam 'Ringklappenflöte' een feit.

Boehm's ringklappenflöte uit 1832
In Duitsland ondervindt de Ringklappenflöte nogal wat weerstand, maar in Frankrijk en Engeland krijgt ze steeds meer enthousiaste spelers. Bouwers als Clair Godefroy in Parijs en George Rudall en John Mitchell Rose in Londen nemen dit instrument in productie. Van 1839 tot 1847 sluit Boehm zijn fabriek door drukte i.v.m. andere werkzaamheden en verdiept zich verder in de akoestische aspecten van de fluitbouw. Boehm zelf schrijft: "Ik besloot de wetenschap te hulp te roepen, en na een tweejarige studie van de akoestische beginselen onder de welwillende leiding van de Heer Prof. Doct. Carl Schafhäutl en na vele, zo nauwkeurig mogelijke experimenten, gelukte het mij eind 1847, fluiten naar een wetenschappelijk gebaseerd systeem te vervaardigen, waarvoor ik de hoogste prijs ontving op de Wereldtentoonstellingen, in Londen in 1851 en in Parijs in 1855". Het was een cilindrische fluit met een conisch/parabolisch kopstuk. Door het feit dat de buis cilindrisch was, kon Boehm de exacte plaats en grootte van de toongaten relatief eenvoudig berekenen. De toongaten waren bijna twee keer zo groot als bij de oude modellen waardoor ze uitsluitend d.m.v. kleppen konden worden gesloten. In het mechaniek worden de constructie van doorgetrokken assen en naaldveren van de Franse instrumentmakers overgenomen.

Zilveren fluit van Boehm uit ca 1860
Het instrument baarde veel opzien, maar er werden door diverse mensen voorstellen gedaan tot verbetering. Zoals het plaatsen van alle assen van de kleppen aan een kant, de bes-klep, het e-mechaniek en de hoge g/a-triller. De open gis-klep was al reeds eerder vervangen door een extra dichte gis-klep. Uit eindelijk kwam het instrument eruit te zien zoals we het nu kennen.

Zilveren fluit van Boehm uit ca 1860

Theobald Boehm
Na Boehm waren er vele bouwers die het instrument bouwden en soms kleine verbeteringen aanbrachten. Er zijn echter twee bouwers geweest die van groot belang zijn, namelijk Louis Lot en Albert Cooper.

Louis Lot, een verre afstammeling van de fluitbouwers Hotteterre werd op 10 mei 1807 te La Couture geboren (100 km ten noordwesten van Parijs) en leerde het vak van Clair Godefroy. Vanaf 1855 werkte hij als bouwer te Parijs en maakte gedurende 20 jaar een groot aantal fluiten. Hij re-introduceerde het systeem van open kleppen en maakte deze als standaard. Zijn goedlopende bedrijf verkocht hij, en hij stierf op 12 januari 1896.

Zilvere fluit uit 1860 van Louis Lot
De Engelse fluitbouwer Albert Cooper, geboren in 1924, werkte tot 1958 bij de fluitenfabriek Rudall Carte in Londen. Daarna vestigde hij zich als zelfstandig bouwer te Londen en hield zich in de jaren 60 intensief bezig met de plaatsing van de toongaten en de lengte van de fluit. Hij maakte uiteindelijk een vernieuwd ontwerp met o.a. een ingekort kopstuk dat onder de naam Cooper-scale bekend is geworden en als uitgangspunt diende voor vele moderne bouwers

Albert Cooper voor zijn werkplaats